Een liefdesbrief aan Amsterdam.
door Sabrina Beek.
Toen ik zeven was, en voor het eerst een stap zette op je grond, zei ik tegen mijn moeder: “Hier ga ik later wonen mama!”. Je bent lekker roerig maar hebt ook momenten van rust. In de zeven keer dat ik verhuisd ben in de afgelopen anderhalf jaar heb ik bijna al je stadsdelen bewoond en ken ik alle korte routes. Toen ik een jaar geleden tijdelijk in Diemen ging wonen had ik zelfs uitzicht op je. De lampjes van het Amstelstation, het groene of rode licht van het Okura Hotel en al die autolichtjes ‘s avonds op de ring; in Diemen werd ik pas echt verliefd op je, Amsterdam.
Toch is het niet altijd rozengeur en maneschijn geweest tussen ons. Toen ik net hier wilde gaan wonen had je geen huis beschikbaar voor me en zwierf ik maar liefst zes weken lang van vriendin naar vriendin. In juni begon dat verhaal weer helemaal opnieuw nadat ik uit mijn huis bij het Oosterpark gezet werd. Overigens vind ik het Oosterpark en Park Frankendael, de mooiste parken die je hebt. Het Vondelpark, waar ik nu naast woon, wordt overschat. Maar goed, ik heb je –mede door je mooie parken- dat tekort aan huizen nooit kwalijk genomen. Want jij bent Amsterdam, en dat is speciaal op zich.
Vaak droom ik over je aderen, de grachten. Mijn favoriet is de Spiegelgracht. Dat kleine stukje waar momenteel alle bomen verlicht zijn met duizenden lampjes. Al heb je me weer een paar nieuwe hakken gekost door die kleine steentjes waarmee je hart, de Dam, is bestraat, wanneer ik over de Spiegelgracht fiets is het je vergeven.
En dat is precies waarom ik deze brief schrijf. Ik vergeef je veel. Ik vergeef je de momenten dat mijn wiel in de trambaan terecht komt en twee blauwe plekken op mijn heup prijken, ik vergeef je dat je internationaliteit veinst maar eigenlijk gewoon een groot dorp bent waar toevallig veel toeristen rondlopen. Ik vergeef je al die keren dat ik door dronken jongens ben belaagd op mijn weg naar huis. Maar wat ik je niet kan vergeven is dat je de laatste tijd steeds meer geschiedenis voor me wordt.
Natuurlijk gebeurt dit bij iedere stad, maar ik had meer van je verwacht. Alles wat ooit nieuw was, en voelde alsof het van mij was, is dat niet meer. Zodra ik een kamer had fietste ik uren over je grachten, liep dagen te lanterfanten in de Pijp en las ik boek na boek in een van je parken. Je was op dat moment voor mijn gevoel van mij, misschien heel egoïstisch van me, maar ik moest je ontdekken, uitkleden en leren kennen.
Maar je hebt me verraden, Amsterdam. Want na anderhalf jaar zijn er zoveel van mijn plaatsen niet meer van mij. Er is iets gebeurd waardoor de plaats niet meer ‘nieuw’ is. Phillipe Remarque brengt dit gevoel perfect onder woorden in ‘Boze geesten van Berlijn’: de plaatsen, mijn plaatsen, zijn ‘plekken’ geworden. Plekken waarbij herinneringen je voor het oog springen en waarbij je altijd associaties zult houden.
Zo zal de Stavangerweg voor mij altijd vertrouwt blijven. De plek waar ik ‘Amsterdammer’ werd en een fijne tijd had. De Smitstraat zal altijd de straat blijven waar ik om acht uur ’s ochtends met al mijn meubels op straat stond, en waar ik de mens weer iets minder vertrouwde. De Wibautstraat zal voor altijd in mijn hoofd gegrift staan als de plek waar alles ooit begon. De Willemsparkweg als de plek waar ik dacht opnieuw te beginnen.
En nu is ook mijn plaats aan het Vondelpark een plek geworden. De plek voor hoop werd het tegenovergestelde. Om dit gegeven ga ik wat vaker bij je weg. Naar mijn ouders, waar ik door het bos wandel dat ik minstens honderden keren heb gezien maar nog steeds als ‘mijn plaats’ voelt. Daar maak ik foto’s van de heide en geniet van het geruis van de wind door de bomen.
Wat ik wil zeggen is dat je me een beetje teleurgesteld hebt. Je zou geweldig worden, de tijd van mijn leven. Maar mijn eerste jaar in Amsterdam, was een jaar van verlies. Bovendien is verhuizen vanuit een klein dorpje naar de stad ook even wennen. Maar hoe mooi de heide en het bos ook is, wanneer ik je vanuit de trein zie opdoemen in de verte krijg ik nogal altijd kriebels in mijn buik.
Misschien moet ik dus maar accepteren dat je gewoonweg een grote plek bent waar, als je geluk hebt, je een klein plaatsje kunt veroveren.
Ik ben er in ieder geval klaar voor, maar zullen we dit keer vrienden blijven?
Sabrina Beek